WHO WE ARE SERVICES RESOURCES




Most recent stories ›
AgroInsight RSS feed
Blog

La Tablée September 26th, 2021 by

Nederlandse versie hieronder

The choice to eat healthy, organic food cannot be left to consumers alone. While organising farm visits to inform and build trust among consumers is important, too often such initiatives are left to individual farmers. But when this is coordinated at a higher level with multiple stakeholders, including local authorities, an amazing dynamism can be created, as I recently learned during a visit to France.

With my wife Marcella and colleagues from Access Agriculture, we decided to stay a few days longer in Rennes, after we attended the Organic World Congress in September 2021. Strolling through the historic city centre towards the old church of Saint George, we are pleasantly surprised to discover La Tablée (Table Guests), a festive open-air event on the grounds around the ruins where people are invited to taste local products laid out on long lines of picnic tables.

The Tabl√©e and various other events we attended were all organised by the collegial group created by those involved from the initial application of Rennes city to host the Organic World Congress.¬†They called their group ‘Voyage to Organic Lands’.

After some friendly volunteers explained the concept, we took a seat and started to taste some of the apple juices, which are all delicious and remarkably distinct. Each bottle has a name printed on the bottle screw cap (Arthur, Lancelot, Merlin, Gauvain, Vivianne, Perceval and Excalibur). Before France was unified in 843 AD, Britain (la Grande Bretagne) and Brittany (la Petite Bretagne) had close ties and historians increasingly believe that the legend of the hero king Arthur and his brave knights have their roots in France, in the forests near Rennes. Perhaps French apple juice or cider was served at the round table.

When I heard someone speaking about apples over the loudspeakers, I realized that there was a live radio show taking place on one of the corners. Radio Rennes was interviewing the organic apple grower, Arnaud Lebrun. In full honesty, Arnaud explained how he started his career as a salesman for a pesticide company.

‚ÄúAfter more than a decade, I began to see all the damage this was doing to the environment, and I could no longer find peace with myself. I decided to quit my job and make a 180-degree shift. My wife and I bought a neglected apple orchard with trees that were already 40 years old and we converted it into an organic apple orchard. We had to learn everything,‚ÄĚ Arnaud explains live on air, ‚ÄúI did not even know how to drive a tractor.‚ÄĚ

In the shade of an old oak tree, interviews went on all day long with local farmers and food producers. While we only stayed on for an hour or so, I could still hear Arnaud‚Äôs wife profess: ‚Äúour customers truly appreciate all the products we make from our apples. What gives me the most satisfaction is to see the smiles on people‚Äôs faces.‚ÄĚ

Brittany has the richest diversity of apple varieties in the country and a long tradition of producing cider and pomée, a thick sweet to spread on bread. Preparing the pomée is a community event that celebrates harvest, as the women clean the apples while men take turns all night long stirring the thickening pomade in a huge copper pot over a fire.

Another remarkable traditional product on the picnic tables is gwell, a creamy type of yoghurt made by fermenting raw milk from the pie noire, a breed of local cow that almost went extinct in the 1970s. Gwell is traditionally eaten with flat round buckwheat cakes (galette) or potatoes, and is an excellent ingredient for desserts.

As we are having a great culinary experience, Lisa and Olivier, the sympathetic local baker farmers whom we just got to know at the Organic World Congress, arrive and join our table. They brought with them some more fresh bread and other traditional goodies.

Small leaflets, each one with a little quiz, invite people to reflect on one particular aspect of making and eating food. This pleasant event brings consumers and producers closer to each other, and with the radio reaches a much wider audience.

For over 60 years, consumers have been influenced by marketeers to eat and drink over-processed foods, stripped of their nutrients. It will take time for people to switch from flavour-enhanced junk to real food. Through joint efforts between organic and biodynamic farmer associations, researchers, restaurant owners, as well as authorities from cities and regions, changing consumer behaviour towards healthy, natural food can become a continuous concerted effort.

As I learned that week in Rennes around the table, consumers and farmers need more than connections, they need to form communities, and a bit of fun can help.

Discover more

Voyage to Organic Lands / Voyage en Terre Bio: https://www.voyageenterrebio.org

Related Agro-Insight blogs

The baker farmers

Better food for better farming

Marketing something nice

Damaging the soil and our health with chemical reductionism

The juice mobile

Formerly known as food

Forgotten vegetables

Not sold in stores

An exit strategy

 

De tafelgasten

De keuze om gezond, biologisch voedsel te eten kan niet alleen aan de consument worden overgelaten. Hoewel het belangrijk is boerderijbezoeken te organiseren om de consumenten te informeren en vertrouwen te wekken, worden dergelijke initiatieven maar al te vaak overgelaten aan individuele landbouwers. Maar wanneer dit op een hoger niveau wordt gecoördineerd met meerdere belanghebbenden, waaronder lokale overheden, kan een verbazingwekkende dynamiek ontstaan, zoals ik onlangs leerde in Frankrijk.

Met mijn vrouw Marcella en collega’s van onze vzw Access Agriculture besloten we een paar dagen langer in Rennes te blijven, nadat we in september 2021 het Organic World Congress hadden bijgewoond. Wandelend door het historische stadscentrum in de richting van de oude kerk Saint George, worden we aangenaam verrast als we La Tabl√©e (Tafelgasten) ontdekken, een feestelijk openluchtevenement op het terrein rond de ru√Įne waar mensen worden uitgenodigd om lokale producten te proeven die op lange rijen picknicktafels zijn neergezet.

Nadat enkele vriendelijke vrijwilligers het concept hadden uitgelegd, namen we plaats en begonnen we met het proeven van enkele van de appelsappen, die allemaal heerlijk en opmerkelijk verschillend zijn. Op elk flesje staat een naam gedrukt op de schroefdop (Arthur, Lancelot, Merlijn, Gauvain, Vivianne, Perceval en Excalibur). Voordat Frankrijk in het jaar 843 werd verenigd, hadden Groot-Brittanni√ę (la Grande Bretagne) en Bretagne (la Petite Bretagne) nauwe banden en historici geloven steeds meer dat de legende van koning Arthur en zijn dappere ridders hun wortels hebben in Frankrijk, in de bossen bij Rennes. Misschien werd er aan de ronde tafel wel Frans appelsap of cider geserveerd.

Toen ik iemand over appels hoorde praten via de luidsprekers, realiseerde ik me dat er een live radioprogramma aan de gang was op het terrein. Radio Rennes interviewde de biologische appelteler, Arnaud Lebrun. In alle eerlijkheid legde Arnaud uit hoe hij zijn carrière was begonnen als verkoper bij een pesticidenbedrijf.

“Na meer dan tien jaar begon ik de schade aan het milieu in te zien, en ik kon geen vrede meer met mezelf vinden. Ik besloot mijn baan op te zeggen en een ommezwaai van 180 graden te maken. Mijn vrouw en ik kochten een verwaarloosde appelboomgaard met bomen die al 40 jaar oud waren en we bouwden die om tot een biologische appelboomgaard. We hebben alles moeten leren”, vertelt Arnaud live in de uitzending, “ik wist niet eens hoe ik een tractor moest besturen.”

In de schaduw van een oude eik gingen de interviews de hele dag door met lokale boeren en voedselproducenten. Hoewel we maar een uurtje aanhielden, kon ik Arnauds vrouw nog horen uitroepen: “onze klanten waarderen echt alle producten die we van onze appels maken. Wat mij de meeste voldoening geeft, is de glimlach op de gezichten van de mensen te zien.”

Bretagne heeft de rijkste verscheidenheid aan appelvari√ęteiten van het land en een lange traditie in de productie van cider en pom√©e, een dik snoepje om op brood te smeren. Het bereiden van de pom√©e is een gemeenschapsgebeuren dat de oogst viert, waarbij de vrouwen de appels schoonmaken terwijl de mannen om beurten de hele nacht lang de indikkende pom√©e in een enorme koperen pot boven een vuur roeren.

Een ander opmerkelijk traditioneel product op de picknicktafels is gwell, een romige soort yoghurt die wordt gemaakt door rauwe melk van de pie noire te laten gisten, een lokaal koeienras dat in de jaren zeventig bijna was uitgestorven. Gwell wordt traditioneel gegeten met platte ronde boekweitkoeken of aardappelen, en is een uitstekend ingredi√ęnt voor desserts.

Terwijl we aan het genieten zijn van onze culinaire ervaring, komen Lisa en Olivier, de sympathieke lokale bakkers-boeren die we net hebben leren kennen op het Organic World Congress, aan onze tafel zitten. Ze hebben nog wat vers brood en andere traditionele lekkernijen bij zich.

Kleine folders, elk met een korte quiz, nodigen uit om na te denken over een bepaald aspect van het produceren en eten van voedsel. Dit gezellige evenement brengt consumenten en producenten dichter bij elkaar, en bereikt met de radio een veel breder publiek.

Al meer dan 60 jaar worden consumenten door marketeers be√Įnvloed om overbewerkte voedingsmiddelen te eten en te drinken, ontdaan van hun voedingsstoffen. Het zal tijd vergen voordat de mensen overschakelen van smaakversterkende junk naar echt voedsel. Door gezamenlijke inspanningen van verenigingen van biologische en biodynamische landbouwers, onderzoekers, restauranthouders en autoriteiten van steden en regio’s kan het veranderen van het consumentengedrag in de richting van gezond, natuurlijk voedsel een continue gezamenlijke inspanning worden.

Die week in Rennes aan de tafel heb ik geleerd dat consumenten en boeren meer nodig hebben dan verbindingen, ze moeten gemeenschappen vormen, en een beetje plezier kan daarbij helpen.

The baker farmers September 19th, 2021 by

Nederlandse versie hieronder

The Organic World Congress, only takes place once every three years, and this year it was in France, which was lucky for me, because I had the pleasure of getting to know Olivier Clisson and his Irish wife Lisa O’Beirne. On their inspiring biodynamic farm Le Chant du Bl√© (The song of wheat) on the outskirts of Rennes, they grow their own wheat and rye, various fruits, and they keep some farm animals. Neither Olivier nor Lisa come from a farming background, but they have both found their own passionate match between farming and preparing food.

Lisa always loved cooking, but her parents encouraged her to get a university degree, so she did. Lisa and Olivier chose to study together in Belfast, and quickly became young parents. In need of starting to earn money and not wanting to raise their son amidst the Northern Ireland conflict, Olivier quit his studies on Irish history and the couple decided to move to Rennes, the capital of Brittany in France. After Lisa pursued her Masters in English, she worked as a project manager in international business. It would take another 10 years before she was able to live out her dream: Lisa ran the first registered organic restaurant in France for over a decade.

During their first years in France, Olivier taught agriculture while learning hands-on farming techniques in his free time. He then obtained an Agricultural diploma in Biodynamic Farming (BPREA) with the hope of becoming a farmer himself. Until one day, he visited a traditional bakery. ‚ÄúWhen the baker opened the wood oven, the smell of fresh bread was so overwhelming that I realized that this is what I wanted to do. It was like a calling,‚ÄĚ remembers Olivier.

At their farmhouse, Olivier opens a small room where he proudly shows his Astri√© mill that he had tailor-made. ‚ÄúThe only mills you find on the market are for large bakeries, and I needed something smaller to suit my needs. I can regulate the distance between the two granite mill stones and grind my flour nearly constantly at a very low speed all day. My grains never get hot, so they are not precooked before making my breads and the flour keeps its full qualities.‚ÄĚ

The bran is fed to four pigs that happily roam outdoors in a large pen behind the farmhouse, so nothing is wasted.

Next, Olivier shows his small bakery room where he keeps his sourdough starter and the bread baskets woven from willow twigs. Lined with a cotton cloth, the dough is left to rise in the baskets for six hours, after which he transfers the dough to the wood-fired oven. It is 5 pm but when he opens the oven, located just outside the baking room, some of the heat from the morning baking has remained. Olivier and Lisa had this oven built by an old man, a master of this unique skill, so it may be one of the last ovens built this way. The wood-fired oven is a major part of their unique approach to prepare food with deep respect and knowledge.

‚ÄúYou have to be fully focused when making bread, as every day is different. The dough, the weather and also the wood we use to fuel the oven is different each day, so if you are tired and not fully mindful you will not make good bread that day,‚ÄĚ confides Olivier. He bakes his bread between 260 and 270 degrees, but there is no thermometer. After he removes the ashes and swipes the oven floor with a wet cotton cloth attached to a wooden stick, he developed his own way to assess if the temperature is right.

‚ÄúI sprinkle some flour in the oven and count to four. If it turns black before I finish counting, the oven is still too hot and I sweep a few more times with the moist cotton cloth, or else my bread will be burned. If it takes longer than four counts, the oven is not hot enough and my bread will not be fully cooked.‚ÄĚ According to Olivier, preparing bread is the easy part, but getting to master your wood oven may take three months or more.

Spread over four days a week Olivier bakes about 250 kilograms of flour: mostly sourdough breads with a blend of 70% wheat and 30% rye, but also brioches and pies with a wide range of berries that they also grow on their farm. ‚ÄúAll that is baked is pre-ordered and paid in advance as part of food baskets that are prepared with about ten other local organic farmers producing everything from cheese to beef to pancakes,‚ÄĚ says Lisa. ‚ÄúOur bakery products are in such demand that whenever someone decides to stop their subscription and wants to get back in, they get on a waiting list and it may take two years before they can again order our bread.‚ÄĚ

Now in their late forties, Olivier and Lisa have worked hard all their lives, but they are filled with joy and grateful to be able to do what they love to do, day after day.

Olivier also teaches a course on biodynamic farming at the BPREA National diploma in Biodynamic Farming and has so far hosted 20 baker apprentices. ‚ÄúBeing able to pass on what we have learned to the younger generation is what has given us the most satisfaction,‚ÄĚ the couple concludes.

Besides the enormous popularity of their bakery products, Olivier and Lisa are also driven by a rewarding quality of life and being able to constantly learn and explore. This inspiring couple shows how a family farm can produce honest food with respect for people and nature.

More info

Le Chant du Blé: www.leclicdeschamps.com/Le-Chant-du-Ble#.YUBI199cJPY

Watch the great video on EcoAgtube: https://www.ecoagtube.org/content/paysan-boulanger-la-ferme-autonome-du-champ-au-pain

or on youtube: https://www.youtube.com/watch?v=tVoVH3AwRgk

Credit

The last three photos are extracted from the video by Pierre Girard, #TousTerriens.

Related Agro-Insight blog stories

The next generation of farmers

The pleasure of bread

Egyptian corn

 

De bakkers boeren

Het Wereldcongres Biologische Landbouw vindt maar eens in de drie jaar plaats, en dit jaar was het in Frankrijk, wat een geluk voor mij was, want ik had het genoegen Olivier Clisson en zijn Ierse vrouw Lisa O’Beirne te leren kennen. Op hun inspirerende biodynamische boerderij Le Chant du Bl√© (Het lied van het graan) aan de rand van Rennes verbouwen ze hun eigen tarwe en rogge, diverse fruitsoorten, en houden ze enkele boerderijdieren. Olivier noch Lisa hebben een agrarische achtergrond, maar ze hebben beiden hun eigen passie gevonden tussen landbouw en het bereiden van voedsel.

Lisa hield altijd al van koken, maar haar ouders moedigden haar aan om een universitaire graad te behalen, dus deed ze dat. Lisa en Olivier kozen ervoor om samen in Belfast te gaan studeren, en werden al snel jonge ouders. Omdat ze geld moesten gaan verdienen en hun zoon niet wilden opvoeden temidden van het Noord-Ierse conflict, stopte Olivier met zijn studie Ierse geschiedenis en besloot het stel te verhuizen naar Rennes, de hoofdstad van Bretagne in Frankrijk. Het zou nog 10 jaar duren voordat ze haar droom kon verwezenlijken: Lisa runde het eerste geregistreerde biologische restaurant in Frankrijk.

Tijdens hun eerste jaren in Frankrijk gaf Olivier les in landbouw en leerde hij in zijn vrije tijd van boeren de praktijk. Daarna behaalde hij een landbouwdiploma in biodynamische landbouw (BPREA) met de hoop zelf boer te worden. Tot hij op een dag een traditionele bakkerij bezocht. “Toen de bakker de houtoven opende, was de geur van vers brood zo overweldigend dat ik besefte dat dit is wat ik wilde doen. Het was als een roeping,” herinnert Olivier zich.

In hun boerderij opent Olivier een kleine kamer waar hij trots zijn Astri√©-molen laat zien die hij op maat heeft laten maken. “De enige molens die je op de markt vindt, zijn voor grote bakkerijen, en ik had iets kleiner nodig om aan mijn behoeften te voldoen. Ik kan de afstand tussen de twee granieten molenstenen regelen en maal mijn meel de hele dag bijna constant op een heel laag toerental. Mijn granen worden nooit heet, dus ze worden niet voorgekookt voor ik mijn broden maak en het meel behoudt zijn volle kwaliteiten.”

De zemelen worden gevoerd aan vier varkens die vrolijk buiten rondscharrelen in een groot hok achter de boerderij, zodat er niets wordt verspild.

Vervolgens laat Olivier zijn kleine bakkerijruimte zien, waar hij zijn zuurdesem en de van wilgentakken gevlochten broodmanden bewaart. Bekleed met een katoenen doek laat hij het deeg zes uur rijzen in de mandjes, waarna hij het deeg overbrengt naar de houtoven. Het is 5 uur ‘s middags, maar als hij de oven opent, die zich net buiten de bakkamer bevindt, is er nog wat van de warmte van het bakken van ‘s morgens over. Olivier en Lisa hebben deze oven laten bouwen door een oude man, een meester in deze unieke vaardigheid, dus het is misschien een van de laatste ovens die op deze manier gebouwd is. De houtoven is een belangrijk onderdeel van hun unieke aanpak om voedsel te bereiden met diep respect en kennis.

“Je moet volledig gefocust zijn als je brood maakt, want elke dag is anders. Het deeg, het weer en ook het hout dat we gebruiken om de oven te stoken is elke dag anders, dus als je moe bent en niet helemaal bij je verstand, zul je die dag geen goed brood bakken”, vertrouwt Olivier ons toe. Hij bakt zijn brood tussen 260 en 270 graden, maar er is geen thermometer. Nadat hij de as heeft verwijderd en de ovenvloer heeft schoongeveegd met een natte katoenen doek die aan een houten stok is bevestigd, heeft hij zijn eigen manier ontwikkeld om te beoordelen of de temperatuur goed is.

“Ik strooi wat bloem in de oven en tel tot vier. Als het zwart wordt voordat ik klaar ben met tellen, is de oven nog te heet en veeg ik nog een paar keer met de vochtige katoenen doek, anders verbrandt mijn brood. Duurt het langer dan vier tellen, dan is de oven niet heet genoeg en is mijn brood niet helemaal gaar.” Volgens Olivier is het bereiden van brood het gemakkelijke deel, maar het onder de knie krijgen van je houtoven kan drie maanden of langer duren.

Verspreid over vier dagen per week bakt Olivier zo’n 250 kilo meel: meestal zuurdesembroden met een mix van 70% tarwe en 30% rogge, maar ook brioches en taarten met een breed scala aan bessen die ze ook op hun boerderij verbouwen. “Alles wat gebakken wordt, wordt vooraf besteld en betaald als onderdeel van voedselpakketten die worden samengesteld met een tiental andere lokale biologische boeren die alles produceren, van kaas tot rundvlees tot pannenkoeken,” zegt Lisa. “Er is zoveel vraag naar onze bakkerijproducten dat als iemand besluit te stoppen met zijn abonnement en weer mee wil doen, ze op een wachtlijst komen te staan en het twee jaar kan duren voordat ze ons brood weer kunnen bestellen.”

Nu ze eind veertig zijn, hebben Olivier en Lisa hun hele leven hard gewerkt, maar ze zijn vervuld van vreugde en dankbaar dat ze kunnen doen wat ze het liefste doen, elke dag weer.

Olivier geeft ondertussen ook een cursus over biologisch-dynamische landbouw aan het National diploma in Biodynamic Farming (BPREA) en heeft tot nu toe 20 bakkerstagiairs ontvangen. “In staat zijn om wat we hebben geleerd door te geven aan de jongere generatie is wat ons de meeste voldoening heeft gegeven,” concludeert het echtpaar.

Naast de enorme populariteit van hun bakkerijproducten, worden Olivier en Lisa ook gedreven door een lonende levenskwaliteit en de mogelijkheid om voortdurend te leren en te ontdekken. Dit inspirerende koppel laat zien hoe een familieboerderij eerlijk voedsel kan produceren met respect voor mens en natuur.

Bekijk hun video op: www.ecoagtube.org/content/paysan-boulanger-la-ferme-autonome-du-champ-au-pain

Credit

The laatste 3 fotos komen uit de video by Pierre Girard, #TousTerriens.

Family farms produce more food and jobs September 12th, 2021 by

Vea la versi√≥n en espa√Īol a continuaci√≥n

Family farms grow more food and employ more people than industrialized farms, which do a poor job at both. The big, commercial farms clear cut prime forest while avoiding taxes. That is the conclusion of a recent study by Stanislaw Czaplicki for CIPCA, an old and respected NGO in Bolivia.

The study, based on the 2015 agricultural census and on later data, classifies farms into the following categories:

Non-family. Produce mainly for export, using machinery and hired labor. Main crops are soy beans, sunflower, rice and sugar.

Consolidated family farms. Use hired and household labor to produce coffee, coca leaves, bananas and plantains, maize, wheat, soy beans and other crops for domestic and export markets.

Transitional family farms. Produce fruit, maize, wheat and other crops, mostly with household labor, usually for the local market.

Subsistence farms. Families use their own labor to produce potatoes, other roots and tubers, broad beans and peas.

Jobs. Agriculture provides 1.45 million paid ‚Äúcontracts‚ÄĚ in Bolivia (including part-time and seasonal jobs). Another 1.77 million people work on their own farms. Non-family farms create only 125,720 jobs, less than 9% of the total. Non-family agriculture needs 6.5 hectares to create a paid job, while family farmers (mainly the consolidated ones) create one paid job for every 1.6 hectares, mainly because they use less machinery.

Crops. Soya has become Bolivia’s main crop by land area, and is now produced on 37% of the country’s farmland, much of it recently cleared from the forest. Gravetal, a large company that exports soya, has only 195 employees, and figures are similar for other large companies. When soy prices peaked (2012-2014), the six largest soy processing and export companies paid less than 1% of the value of their sales in taxes. Almost all of the soya is used to feed livestock. At the other extreme, family farms produce 99% of Bolivia’s potatoes, the main food crop.

I‚Äôve summarized the study in a table, to show that family farms produce more food per hectare than do non-family farms. ‚ÄúFood‚ÄĚ does not include the soy beans fed to animals. Subsistence farms produce the most food per hectare. The industrialized, non-family farms produce just 12.4% of the food on 38% of the land, a serious inefficiency. Family farmers produce four times as much food per unit of land as do industrialized farms.

In many countries, family farms produce more food and employ more people than does industrial agriculture. But there is an added twist, lowland Bolivia is heavily forested, including much of South America’s rainforest and dry forest. In Bolivia, 95% of deforestation is caused by clearing forest for soy beans and cattle (for export beef). Forests partially cut for cattle become drier, and more prone to fire. Forest fires are now a yearly disaster in Bolivia, especially in areas trampled by industrial agriculture.

So besides feeding people and putting them to work, family farms also take better care of the environment. Family farms deserve more investment, research, technical advice and other support.

Further reading

Czaplicki Cabezas, Stanislaw Tadeusz 2021 Desmitificando la agricultura familiar en la economía rural boliviana: Caracterización, contribución e implicaciones. La Paz: Centro de Investigación y Promoción del Campesinado (CIPCA).

Related blogs

Feeding the cities

A brief history of soy

Commercial family farming Bolivian style

Videos

Check out these free videos for family farmers around the world: www.accessagriculture.org

LA AGRICULTURA FAMILIAR PRODUCE M√ĀS ALIMENTOS Y M√ĀS FUENTES DE TRABAJO

Por Jeff Bentley, 12 de septiembre del 2021

La agricultura familiar produce más comida y emplea a más personas que las fincas industrializadas, de lejos. La agroindustria tala los bosques vírgenes y logra evitar los impuestos. Esa es la conclusión de un reciente estudio escrito por Stanislaw Czaplicki para CIPCA, una antigua y respetada ONG de Bolivia.

El estudio, basado en el censo agropecuario de 2015 y en otros datos posteriores, clasifica las unidades productivas agropecuarias en las siguientes categorías:

No familiares. Producen principalmente para la exportaci√≥n, con maquinaria y mano de obra contratada. Los principales cultivos son la soya, el girasol, el arroz y la ca√Īa de az√ļcar.

Familiares consolidadas. Trabajan con mano de obra contratada y familiar para producir café, coca, plátanos y bananas, maíz, trigo, soya y otros cultivos para el mercado interno y de exportación.

Familiares de transición. Producen frutas, maíz, trigo y otros cultivos, principalmente con mano de obra familiar, generalmente para el mercado local.

Familiares de subsistencia. Usan su propia mano de obra para producir papas, otras raíces y tubérculos, haba y arveja.

Empleo. La agricultura aporta 1,45 millones de “contrataciones” remunerados en Bolivia (incluyendo los trabajos a tiempo parcial y de temporada). Otros 1,77 millones de personas trabajan en sus propios cultivos. En cambio, la agricultura no familiar s√≥lo crea 125.720 contrataciones, menos del 9% del total. La agricultura no familiar necesita 6,5 hect√°reas para generar una contrataci√≥n, mientras que la agricultura familiar (mayormente la consolidada) crea una contrataci√≥n por cada 1,6 hect√°reas, principalmente porque usa menos maquinaria.

Cultivos. La soya se ha convertido en el principal cultivo de Bolivia por superficie, y ahora se produce en el 37% de la tierra cultivada del pa√≠s, gran parte de la cual deforestada recientemente. Gravetal, una empresa grande que exporta soya, s√≥lo tiene 195 empleados, y las cifras son similares para otras grandes empresas. Durante los a√Īos cuando los precios de la soya eran m√°s altos (2012-2014), las seis mayores empresas transformadoras y comercializadores de soya pagaron menos del 1% del valor de sus ventas en impuestos. Casi toda la soya se usa para alimentar al ganado. En el otro extremo, en Bolivia las explotaciones familiares producen el 99% de las papas, el cultivo que m√°s se come.

He resumido el estudio en un cuadro, para mostrar que la agricultura familiar produce m√°s comida por hect√°rea que la no familiar. Los “alimentos” no incluyen la soya. La agricultura de subsistencia produce m√°s alimentos por hect√°rea que las otras clases. La agricultura no familiar (industrializada) s√≥lo produce el 12,4% de los alimentos en el 38% del terreno, una grave ineficiencia. La agricultura familiar produce cuatro veces m√°s alimentos por hect√°rea que la agricultura no familiar (de las empresas).

En muchos países, la agricultura familiar produce más alimentos y crea más fuentes de trabajo que la agricultura industrial. Pero hay algo más: la mayoría de las tierras bajas de Bolivia están forestadas, incluyendo gran parte del bosque lluvioso y seco de Sudamérica. En Bolivia, el 95% de la deforestación se debe a la tala de bosques para la producción de soya y de ganado (para la exportación de carne). Los bosques parcialmente talados para el ganado se vuelven más secos y se prenden fuego más fácilmente. Los incendios forestales son ahora una catástrofe anual en Bolivia, gracias a la agricultura industrial, y a la ganadería.

Así que, además de alimentar a la gente y darle trabajo, la agricultura familiar también cuida mejor el medio ambiente. La agricultura familiar merece más inversión, investigación, asesoramiento técnico y otro apoyo.

Lectura adicional

Czaplicki Cabezas, Stanislaw Tadeusz 2021 Desmitificando la agricultura familiar en la economía rural boliviana: Caracterización, contribución e implicaciones. La Paz: Centro de Investigación y Promoción del Campesinado (CIPCA).

Blogs relacionados

Feeding the cities

A brief history of soy

La agricultura familiar también puede ser comercial

Videos

Videos gratis para las familias agricultoras en todas partes del mundo: https://www.accessagriculture.org/es

 

Better food for better farming September 5th, 2021 by

Vea la versi√≥n en espa√Īol a continuaci√≥n

Farming and eating go together like writing and reading, like telling a joke and getting a laugh, which Agrecol Andes knows well. During its twenty years of teaching agroecology, this Bolivian non-profit organization realized that farmers would grow more organic food if more people would buy it, and eat it.

In a survey of shoppers in Cochabamba, almost half (46%) told Agrecol Andes that they wanted to eat organic food, but only 15% knew where to buy it.

So, Agrecol Andes recently kicked off a campaign called ‚ÄúEat Well, Eat Natural, Eat without Chemicals‚ÄĚ. Agrecol held the event in the grand, historic hall of the departmental government of Cochabamba, in coordination with local officials.

Agrecol’s Roxana Castellón explained that most people in Cochabamba don’t fully appreciate how much their food has been contaminated. They don’t understand that all of the bread in Cochabamba has bromates (a carcinogen), or that their tomatoes have been doused with insecticides many times. She said that most of the people who seek out ecological products do so after a health crisis, especially after being diagnosed with cancer or some other serious disease.

In many northern countries, organic food is more easily available, and many people are willing to pay a little extra for it. In Bolivia, as in much of the Global South, organic certification is rare and agroecological farmers receive the same price as everyone else. To compensate for the lack of official certification, the farmers tied to Agrecol Andes use a participatory guarantee system (PGS). To remedy the lack of organic food markets, Agrecol also delivers food from some of their farmers to certain subscribers who are signed up on WhatsApp.

This current campaign on tasty, healthy eating will use the press and social media to encourage shoppers to buy at the markets that sell agroecological food.

Agrecol ended the event not with a bang, but with a sandwich. Many events include a snack, where the servers stand invisible behind rows of sticky treats. But at this meeting, Roxana did something I’ve never seen before: she invited the cook to the microphone. Wearing a bright green beret, Erika from the Movement for Mindful Food (Movimiento de Comida Consciente) said that she made her hamburgers from lupine beans from Lake Titicaca, and the sauce was miso from organic soy beans. The snack had become more than a pleasantry; it was an object lesson in eating good, healthy, local food.

Consumers can choose to eat better, just as farmers can choose to farm ecologically. But to do that, they have to find each other, and connect.

Related Agro-Insight blogs

An exit strategy

Choosing to farm

Related link

Agrecol Andes‚Äôs campaign ‚ÄúEat Well, Eat Natural, Eat without Chemicals.‚ÄĚ

MEJOR COMIDA, MEJOR AGRICULTURA

Por Jeff Bentley, 5 de septiembre del 2021

La agricultura y la alimentaci√≥n van mano en mano, tal como el escribir y leer, o como un chiste y la risa. La Fundaci√≥n Agrecol Andes, una organizaci√≥n boliviana sin fines de lucro, valora el v√≠nculo entre la agricultura y la alimentaci√≥n. Durante sus veinte a√Īos de ense√Īar la agroecolog√≠a, Agrecol se dio cuenta de que los agricultores cultivar√≠an m√°s alimentos org√°nicos si m√°s gente los comprara, y los comiera.

En una encuesta hecha a los compradores de Cochabamba, casi la mitad (46%) dijo a Agrecol Andes que quería comer alimentos ecológicos, pero sólo el 15% sabía dónde comprarlos.

Por eso, hace poco Agrecol Andes lanz√≥ la campa√Īa “Come Rico, Come Natural, Come sin Qu√≠micos”. Agrecol celebr√≥ el acto en la Casa Departamental de Culturas, el gran sal√≥n hist√≥rico de la Gobernaci√≥n de Cochabamba, en coordinaci√≥n con las autoridades locales.

La Lic. Roxana Castellón, de Agrecol, explicó que la mayoría de los cochabambinos no se dan cuenta de que su comida es contaminada. No entienden que todo el pan de Cochabamba tiene bromato (un carcinógeno), o que sus tomates han sido fumigados con insecticidas muchas veces. Ella dice que la mayoría de las personas que buscan productos ecológicos lo hacen después de una crisis de salud, especialmente tras ser diagnosticadas de cáncer o alguna otra enfermedad grave.

En muchos países del norte, los alimentos ecológicos son más fáciles de conseguir, y mucha gente está dispuesta a pagar un poco más por ellos. En Bolivia, como en gran parte del Sur Global, la certificación orgánica es escasa y los agricultores agroecológicos venden a bajos precios. Para compensar la falta de certificación oficial, los agricultores asociados a Agrecol Andes usan un sistema participativo de garantía (SPG). Para remediar la falta de mercados de alimentos ecológicos, Agrecol también entrega bolsas de alimentos de algunos de sus agricultores a familias inscritas en un grupo de WhatsApp.

Esta campa√Īa actual sobre la comida rica y saludable usar√° la prensa y las redes sociales para animar a los compradores a acudir a los mercados que venden alimentos agroecol√≥gicos.

Agrecol cerró el acto no con broche de oro, sino con un sándwich. Muchos eventos incluyen una merienda, donde los camareros permanecen invisibles tras las bandejas de masitas dulces. Pero en esta reunión, Roxana hizo algo que yo nunca había visto antes: invitó a la cocinera al micrófono. Con una boina verde brillante, Erika, del Movimiento de Comida Consciente, dijo que hacía sus hamburguesas con tarwi del Lago Titicaca y que la salsa era de miso de soya orgánica. El snack se había convertido en algo más que un placer; era una lección viva de cómo se puede comer rico, natural y local.

Los consumidores pueden elegir comer mejor, al igual que los agricultores pueden elegir cultivar de forma ecológica. Pero para hacerlo, tienen que encontrarse y conectarse.

 

Blogs relacionados de Agro-Insight

Estrategia de salida

Optando por la agricultura

Enlace relacionado

La campa√Īa de Agrecol Andes “Come Rico, Come Natural, Come sin Qu√≠micos“.

Refugee farm August 29th, 2021 by

Vea la versi√≥n en espa√Īol a continuaci√≥n

It takes skill and knowledge to be a farmer. Hard work alone won’t always make you a farmer, as shown by an experiment in Bolivia in the early 1940s.

In 1938 and 1939, when most of the world‚Äôs countries were closing their borders to the victims of Nazism in Central Europe, Bolivian consulates were one of the few places where refugees could get a visa. Many were ‚Äúagricultural visas,‚ÄĚ and others were obtained by making extra payments to consular officials.

In Hotel Bolivia, Leo Spitzer tells the story of the thousands of people who found a safe haven in Bolivia. Spitzer is well placed to write the story. He is a professional historian, born in La Paz in 1939 to a family recently arrived from Austria. Although the refugees arrived penniless and traumatized, once in Bolivia they received some help from organizations like the American Jewish Joint Distribution Committee (JDC, based in New York), and from Mauricio (Moritz) Hochschild, a Jewish immigrant who had left his village near Frankfurt in the 1920s to become one of Bolivia’s three wealthy tin barons.

Hochschild was sensitive to what we would now call optics. He thought the German-speaking refugees were too visible in what were then Bolivia’s two big cities, La Paz and Cochabamba. Many refugees had opened small businesses. Spitzer’s own father, Eugen, ran a successful plumbing and electrical shop near the Plaza del Estudiante, in the heart of La Paz.

The tin baron feared that seeing so many recently arrived foreigners might spark anti-Semitism, especially since it was becoming something of a scandal that the consulates had demanded bribes. It turned out that Hochschild’s worries were exaggerated. The Bolivians were neither very welcoming, nor very hostile. They patronized the newcomers’ shops and allowed them to set up their own school, where children were taught in German.

Nevertheless, the concerned Hochschild convinced the JDC to buy three haciendas, some 1,000 hectares of mountainous land in a place called Charobamba, near the small town of Coroico, just 100 km from La Paz, but three thousand meters lower, down a narrow, winding, treacherous road.

The colony was called Buena Tierra (Good Land) and it got off to a good start in 1940. The settlers had a clinic, staffed with a refugee doctor and nurse. The settlers met often for social events, and they were organized. They received a stipend of about 1,000 bolivianos ($23, which was worth more in the 1940s). This bit of money allowed the would-be farmers to survive as they built themselves small adobe houses with cement floors and sheet metal roofs.

Unfortunately, few if any of the settlers had experience with agriculture or even with rural life. One year they were strolling down the avenues of Vienna, and the next year they were blasting a road with dynamite from Charobamba to Coroico.  Their guide for farming was an Italian-Argentine agronomist, Felipe Bonoli, who tried to repeat his success of leading an Italian colony on the temperate plains of Argentina, but the steep, tropical hillsides of Charobamba were another matter, and Bonoli soon left. A German agronomist, Otto Braun, fared no better and left in 1942 after a year after trying to teach the colonists to plant coffee and bananas, crops that Braun had no experience with. Finally, Tierra Buena hired two local farmers, Luis Solís and Luis Gamarra, and the colony did begin producing small amounts of citrus, coffee and bananas, but these are all perennial crops, and the settlers seem to have been frustrated that they took so long to bear fruit.

At the height of the experience, in 1943 there were 180 adult refugees living and working in Tierra Buena, and some hired laborers, Aymara-speaking people (some from the area, and others from Lake Titicaca). But as the World War II ended, most of the colonists returned to the city, applied for visas, and emigrated, mainly to the United States, Palestine, Chile and Brazil.

One colonist did stay. Hans Homburger lived in Tierra Buena until the farm was disbanded in 1960. By then it was being successfully farmed by the former laborers, who worked on the farm for two days a week in exchange for the right to use some of the land to grow their own crops. With their farming skills, and local knowledge, the former employees were able to make hard work pay off, and they harvested fruit and coffee to sell.

It takes more than hard work and enthusiasm to be a successful farmer. Farming takes skill and know-how, much of which must be local, and grounded in practice.

Further reading

Spitzer, Leo 2019 Hotel Bolivia: The Culture of Memory in a Refuge from Nazism. Plunkett Lake Press. (Especially Chapter 4).

UN REFUGIO AGR√ćCOLA

Por Jeff Bentley, 22 de agosto del 2021}

Ser agricultor quiere habilidad y conocimiento. El trabajo duro por sí solo no siempre es suficiente, como demuestra un experimento hecho en Bolivia a principios de la década de 1940.

En 1938 y 1939, cuando la mayor√≠a de los pa√≠ses del mundo cerraban sus fronteras a las v√≠ctimas del nazismo en Europa Central, los consulados bolivianos eran uno de los pocos lugares donde los refugiados pod√≠an obtener una visa. Muchas eran “visas agr√≠colas” y otras se obtuvieron con una coima al funcionario consular.

En Hotel Bolivia, Leo Spitzer cuenta la historia de los miles de personas que encontraron un refugio en Bolivia. Spitzer est√° bien situado para escribir esta historia. Es un historiador profesional, nacido en La Paz en 1939 en una familia reci√©n llegada de Austria. Aunque los refugiados llegaron sin dinero y traumatizados, una vez en Bolivia recibieron cierta ayuda de organizaciones como el Comit√© Conjunto Jud√≠o Americano de Distribuci√≥n (JDC, con sede en Nueva York), y de Mauricio (Moritz) Hochschild, un inmigrante jud√≠o que hab√≠a dejado su pueblo cerca de Frankfurt en la d√©cada de 1920 para convertirse en uno de los tres ricos barones del esta√Īo de Bolivia.

Hochschild era sensible a lo que ahora llamar√≠amos la √≥ptica. Pensaba que los refugiados de habla alemana eran demasiado visibles en las dos grandes ciudades de Bolivia, La Paz y Cochabamba. Muchos refugiados hab√≠an abierto peque√Īos negocios. El propio padre de Spitzer, Eugen, ten√≠a una exitosa tienda de plomer√≠a y electricidad cerca de la Plaza del Estudiante, en el coraz√≥n de La Paz.

El bar√≥n del esta√Īo tem√≠a que la presencia de tantos extranjeros reci√©n llegados pudiera desencadenar el antisemitismo, sobre todo porque se estaba convirtiendo en un esc√°ndalo el hecho de que los oficiales hab√≠an vendido las visas con un sobreprecio. Result√≥ que las preocupaciones de Hochschild eran exageradas. Los bolivianos no eran ni muy acogedores ni muy hostiles. Patrocinaron las tiendas de los reci√©n llegados y les permitieron establecer su propia escuela, en la que se ense√Īaba a los ni√Īos en alem√°n.

Sin embargo, el preocupado Hochschild convenci√≥ al JDC para que comprara tres haciendas, unas mil hect√°reas de tierra monta√Īosa en un lugar llamado Charobamba, cerca de la peque√Īa ciudad de Coroico, a s√≥lo 100 km de La Paz, pero tres mil metros m√°s abajo, por una carretera estrecha, sinuosa y traicionera.

La colonia se llam√≥ Tierra Buena y comenz√≥ bien en el 1940. Los colonos ten√≠an una cl√≠nica, atendida por un m√©dico y una enfermera refugiados. Los colonos se reun√≠an a menudo para celebrar actos sociales y estaban organizados. Recib√≠an un estipendio de unos 1.000 bolivianos (23 d√≥lares, que val√≠an m√°s en la d√©cada de 1940). Este dinero les permit√≠a sobrevivir mientras constru√≠an peque√Īas casas de adobe con pisos de cemento y techos de calamina corrugada.

Infelizmente, pocos o ninguno de los colonos ten√≠an experiencia en la agricultura o incluso en la vida rural. Un a√Īo paseaban por las avenidas de Viena y al a√Īo siguiente constru√≠an una carretera a dinamitazos desde Charobamba hasta Coroico.¬† Su gu√≠a para la agricultura era un agr√≥nomo italo-argentino, Felipe Bonoli, que intent√≥ repetir su √©xito al frente de una colonia italiana en las pampas templadas de Argentina, pero las empinadas laderas tropicales de Charobamba eran otra cosa, y Bonoli pronto se march√≥. A un agr√≥nomo alem√°n, Otto Braun, no le fue mejor y se fue en 1942 tras un a√Īo de intentar ense√Īar a los colonos a plantar caf√© y pl√°tanos, cultivos en los que Braun no ten√≠a experiencia. Finalmente, Tierra Buena contrat√≥ a dos agricultores locales, Luis Sol√≠s y Luis Gamarra, y la colonia empez√≥ a producir peque√Īas cantidades de c√≠tricos, caf√© y pl√°tanos, pero todos son cultivos perennes, y los colonos parecen haberse sentido frustrados porque tardaran tanto en dar fruto.

En su apogeo, en 1943 había 180 refugiados adultos viviendo y trabajando en Tierra Buena, y algunos trabajadores contratados, gente de habla aymara (algunos de la zona y otros del Lago Titicaca). Pero al terminar la Segunda Guerra Mundial, la mayoría de los colonos regresaron a la ciudad, solicitaron visados y emigraron, principalmente a Estados Unidos, Palestina, Chile y Brasil.

Un colono se quedó. Hans Homburger vivió en Buena Tierra hasta que la finca se disolvió en 1960. Para entonces, los antiguos jornaleros la explotaban con éxito, trabajando en la granja dos días a la semana a cambio del derecho a usar parte de la tierra para cultivar sus propios productos. Con sus habilidades agrícolas y sus conocimientos locales, los antiguos empleados consiguieron que el trabajo duro diera sus frutos, y cosecharon fruta y café para vender.

Se necesita algo más que trabajo duro y entusiasmo para ser un agricultor de éxito. La agricultura requiere destreza y conocimientos, muchos de los cuales deben ser locales y estar basados en la práctica.

Lectura adicional

Spitzer, Leo 2021 Hotel Bolivia: La Cultura de la Memoria en un Refugio del Nazismo. La Paz: Plural Editores. (Especialmente el Capítulo 4).

Design by Olean webdesign